Roofvogels
Roofvogels
Met roofvogels worden meestal twee, niet nauw aan elkaar verwante, orden van vogels bedoeld: de Accipitriformes en de Falconiformes. Ze vangen de prooi op de grond, in de lucht of in het water. Sommige soorten eten kadavers. Niet alle roofvogels eten echter vlees. De gierarend, of palmgier, leeft bijvoorbeeld van de pulp uit vruchten van de oliepalm.
Jagen
Roofvogels jagen veelal overdag. Ze hebben vaak een kromme snavel en klauwen met scherpe nagels. De vorm van de snavel kan per roofvogelsoort verschillen; dat heeft te maken met hun voedselkeuze. Zo heeft een slakkenwouw een dunne haaksnavel waarmee hij makkelijk slakkenhuizen kan openbreken en de slak eruit kan halen. Een gemeenschappelijk kenmerk van de meeste roofvogels is een haaksnavel met scherpe randen. Valken hebben een tandvormige uitstulping aan de onderrand van de bovensnavel waarmee ze de nek van de prooi kunnen breken.
Prooien
De prooien van roofvogelsoorten verschillen eveneens van elkaar: gieren eten kadavers, buizerds eten kleine landzoogdieren zoals konijnen, wespendieven lusten vooral insecten, visarenden eten vis en valken vangen vogels midden in de lucht. Hoe roofvogels hun prooi zoeken, verschilt ook: gieren zweven continu in de lucht en turen de grond af naar kadavers, terwijl visarenden bijvoorbeeld op een vast punt blijven zitten tot ze een vis zien in het water en in beweging komen.
Reageren:
Geen reacties geplaatst


